Dagboek uit Oezbekistan (10): Je ziet het pas als je het doorhebt

Karsji/Qarsji, 4 oktober 2018

Oezbekistan is een kruispunt van volkeren, geloven en talen. En dat is nooit anders geweest. Sinds de oudste tijden hebben sterkere buren hun begerig oog laten vallen op parels als Tasjkent, Boechara en Samarkand. Van Alexander de Grote tot Dzjengis Khan en van de Arabieren tot de Russen hebben ze het land veroverd en er hun sporen nagelaten.

Dit land is daardoor een prachtige uitstalkast van de menselijke soort geworden. Arabische, Mongoolse, Indiase, Slavische en Turkse gezichtskenmerken zie je overal.

Op geloofsgebied is het al even gelaagd. Zoroatrisme en zijn profeet Zarathustra (denk het goede, spreek het goede en doe het goede) was hier ruim duizend jaar lang een bloeiende en tegelijkertijd verdraagzame monotheïstische godsdienst.

Een grondhouding die aan het land is blijven kleven. Een kleine joodse gemeenschap is in Oezbekistan al 2500 jaar actief. En er zijn katholieke en orthodoxe kerken.

De soenitische islam is het dominante geloof in dit land. Niet fanatiek, maar juist verdraagzaam naar andersdenkenden. Gespeend van het fanatisme
waarmee geloofsgenoten in buurlanden als Iran en Afghanistan soms te koop lopen. Chirurgen uit Pakistan, met wie de delegatie gisteren een treincoupé deelde, waren aangenaam verrast door zoveel tolerantie.

Op taalgebied zijn ze al evenmin hooghartig. Oezbeken lijken geen moeite te hebben voortdurend van taal te wisselen. Zoals wij als klein land altijd hebben geweten dat kennis van Duits, Engels en Frans nodig is om ons te beschermen en handel te drijven, zo is ook de Oezbeek vanuit kwetsbaarheid niet eenkennig. Met een brede mengeling van talen en schrijfwijze als gevolg.

Het Oezbeeks is een Turkse taal, waarmee je je in grote delen van het land kunt redden. Deze taal wordt in zowel Latijns als Cyrillisch geschreven. In het zuiden wonen echter miljoenen Tadzjieken die geen Oezbeeks maar Farsi spreken, een Perzische taal. Zij gebruiken ook het Latijns en het Cyrillisch, al schreven ze hun taal tot ver in de 20e eeuw in het dansende Perzische schrift.

Door de jarenlange overheersing van Moskou is het Russisch in de vorige eeuw diep in het land doorgedrongen. Zeker bij de oudere generatie is het de taal waarin ze altijd met elkaar kunnen spreken. En sinds de onafhankelijkheid is daar – zeker bij de jeugd – dan nog het Engels bijgekomen.

Hoe verwarrend die talenhutspot kan zijn, ondervond Remco gisteren in Qarsji (Oezbeeks) of Karsji (Russisch en Latijns schrift), zo u wilt. We gingen als delegatie op zoek naar het lokale monument, waar alle doden uit de Tweede Wereldoorlog staan opgetekend. Met een wenende moeder als versteend verdriet ervoor.

We waren op zoek naar Chatam Kadierov of Zair Muratov. Na tien minuten waren vriendin Caroline en voorzitter Alex wel klaar met zoeken. De namen stonden er niet tussen. Dat hadden we toch zeker zelf geconstateerd.

Remco zette echter door. In Kamp Amersfoort zei een vreemde Aziatische man tegen medegevangene Gerrit de Wilde hoe hij heet. De Wilde noteerde zijn naam als Xatam Kaderu. Remco brak zich er jarenlang zijn hoofd over. Zijn analyse: bedoeld wordt Chatam Kadyrov. Maar… geen enkele Kadyrov op de borden.

Totdat bij Remco het kwartje valt. Karsji = Qarsji, zou dan ook Kadyrov gelijk zijn aan Qadirov? Verdomd, dat is het! Qadirov moet je zoeken onder de Q.

En zo is Remco-de-onderzoeker weer een stapje dichter bij de oplossing van het raadsel van de 101 gekomen. De aanhouder zal winnen.

We citeerden, verheugd over deze stap voorwaarts, voetballegende en taalvirtuoos Johan Cruijff. ,,Je gaat het pas zien als het door hebt.’’

Dit was de een na laatste bijdrage uit Oezbekistan. De laatste volgt zondagmiddag.

Blijf ons volgen & blijf ons steunen: NL88RABO0127654739 t.n.v. Stichting Russisch Ereveld te Amersfoort.